't Olde Karspel - periodiek van de Historische Vereniging De Wijk - Koekange

Een historische wandeling door het Reestdal (deel 6):


Het aanharksel uit het Reestenland


door Hendrik Veeningen


Mijn vorige bijdragen hadden voornamelijk het werk op het boerenland als thema, met telkens een van de vier jaargetijden als uitgangspunt.
Deze keer zit er geen echte rode draad in het verhaal maar vertel ik u zomaar wat losse, bij elkaar geharkte, herinneringen uit mijn jeugd van plm. 50 jaar geleden op een boerderij in het Reestdal.


Voor diegenen onder u die niet weten wat met aanharksel wordt bedoeld, leg ik dit even uit.
Als in de zomermaanden het hooi op het land droog genoeg was, dan werd het losse hooi met een hooivork opgeladen op de wagen. Er bleven daarbij altijd wel enkele hooisprieten op het land achter en aangezien kruimels ook brood zijn, moesten ook deze losse sprieten op de wagen. Deze werden met een hooihark bijeen geharkt op hoopjes en dan met de vork op de wagen gebracht.
U begrijpt al dat dit aanharken gebeurde door enerzijds de vrouwen en anderzijds door de opgroeiende jeugd. Wij waren altijd de klos, want als je iets vergat, dan zag de lader boven op de wagen dat onmiddellijk en werd ons duidelijk gemaakt waar nog wat hooi lag. De titel voor deze bijdrage had ook kunnen luiden: "te hooi en te gras". Deze beeldspraak past in dubbel opzicht bij het verhaal.
Degenen die mijn vorige stukjes gevolgd hebben over het leven in het Reestdal van 50 jaar geleden, zullen zich misschien afvragen of er eigenlijk wel tijd was voor andere dingen dan werken op de boerderij.
Welnu, hoewel er 7 dagen in de week vrijwel dag en nacht gewerkt werd, was er ook wel degelijk tijd voor andere zaken dan het boerenwerk.
In dit verband moet u niet denken aan vakantie houden, dat kenden we niet, maar ééndaagse uitstapjes waren er wel.
Familiebezoek werd meestal op zondag gedaan. Natuurlijk moest eerst het vee verzorgd worden en om 4 uur 's middags moest men eigenlijk terug zijn voor het voeren en melken.
Men vond dit ook heel normaal en aangezien ook de meeste familie boer was, had die hetzelfde probleem.
In de tijd waarover we nu spreken, had op het platteland nog vrijwel niemand een auto. Die luxe was voorbehouden aan de notabelen, zoals de burgemeester, de dokter, de veearts en de dominee. Meestal reisde men lopend of in geval de familie wat verder weg woonde, met de fiets.
De wat grotere boeren hadden soms een koets of een kerkbrik. Ik kan mij nog herinneren dat ik als klein kind één keer mee geweest ben op visite met de brik. Later, toen de luchtbandenwagens gemeengoed werden, gingen we ook wel op zondag met paard en wagen op zondagse visite naar opa en opoe.
Was je bij een vereniging of club aangesloten, dan was het jaarlijkse uitstapje altijd een feest.
Er werd voor één dag een bus afgehuurd en dan ging het op reis met eigen lunchpakket naar bestemmingen als De Waarbeek in Hengelo, de Bedriegertjes in park Sonsbeek, een boottocht op de Rijn of een bezoek aan vliegveld Schiphol. De traditionele foto van de groep staande voor een KLM toestel kom je in elk archief tegen.
Verder waren er natuurlijk ter ontspanning en vermaak de jaarlijkse volksfeesten. Tegenwoordig hebben we in de grotere dorpen een hele feestweek, maar soms vraag ik mij wel eens af of er nog wel echt volksfeesten zijn zoals wij die destijds hadden.
In tegenstelling tot tegenwoordig, ging in die tijd vrijwel iedereen naar het feest en had vrijwel iedereen ook een echt aandeel in de aktiviteiten, was het niet met het versieren van een wagen of ereboog, dan wel met deelname aan de spelletjes en bezoek aan het avondprogramma in de tent.
Gehuchten als De Bloemberg en Oud-Avereest hadden een dag feest, dat 's morgens begon met de traditionele optocht van versierde wagens.
De wagens werden ook echt versierd met lakens en veel bloemen, terwijl de jeugd meestal deelnam met een zigeunerwagen gemaakt met dennentakken en in de wagen een stinkende en rokende potkachel.
De zigeunerwagen won steevast de laatste prijs, de jongelui maakten zich daar niet druk om; het ging natuurlijk om de lol.
De wagens in die tijd werden nog getrokken door een paard. Dat was een mooi gezicht maar het had ook nadelen, want niet alle paarden waren even betrouwbaar en sommige hadden een hekel aan muziek.
In Oud-Avereest reed de Harmonie uit Balkbrug altijd voorop, op een boerenwagen, maar op een gegeven moment schrok het paard ergens van en door de schok viel de grote trom met zijn bespeler en al op straat.
Na de middag waren er dan natuurlijk de kinder- en volksspelen met onder andere zaklopen, koekhappen en natuurlijk ringsteken.
Hierbij moest je op de fiets of op een wagen gezeten, al rijdend met een stok door een ring steken die over de weg was gespannen. Er waren drie ringen na elkaar, waarbij de diameter van de ring steeds kleiner werd. Degene die de meeste ringen had gestoken, was winnaar.
Een mooie variant op dit ringsteken was het zogeheten tonnetjesteken. Boven het te fietsen parcours hing in plaats van ringen een bak met water. Onder aan de bak zat een plank met een gat erin. De bedoeling was om de stok door dit gat te steken maar u begrijpt al dat er regelmatig hilariteit was wanneer weer iemand een nat pak kreeg.
Over natte pakken gesproken, op het Bloemberger feest was het ook een traditie om een wedstrijd touwtrekken over de Reest te houden. In een soort afvalrace moesten alle deelnemers, vaak de jonge boerenzoons en -knechten, laten zien wie de sterkste was. Uiteindelijk bracht de winnaar het er droog vanaf en won de hoofdprijs. Belangrijker dan die prijs was voor de winnaar natuurlijk het feit dat hij de bewondering afdwong van met name de jonge dames.
Tussen de bedrijven door was er de immer aanwezige zweefmolen en een schiettent, die eigenlijk altijd goede zaken deden. Het was uiteindelijk maar één keer in het jaar feest en dan liet men het geld flink rollen.
Ook de ouderen vermaakten zich best. Zij hadden er genoeg aan om wat bij te praten met leeftijdgenoten, al dan niet onder het genot van een borreltje in het café of in de feesttent.
Deze tent was 's avonds tot de nok gevuld met feestgangers die genoten van een bonte avond met natuurlijk na afloop dansen, op muziek van een accordeonist en een drummer. In deze regio waren Henk Scheper, drums, en Albert Mennik, accordeon, een bekend duo. Gedurende de winterperiode was er ook ruimte voor ontspanning en vertier.
Zo waren de weken vóór Sinterklaas een mooie tijd, want dan was er bij elke bakker het traditionele schieten en sjoelen of, zoals het hier genoemd werd, "Sunterklaoslott'n". Tegen betaling van inleggeld kon je meedoen aan allerlei behendigheidsspellen, zoals sjoelen en prijsschieten. De prijzen die gewonnen konden worden, waren altijd artikelen die de betrokken bakker zelf maakte, zoals speculaasharten in verschillende groottes en verder taaipoppen en strooigoed. De bakkerij was meestal omgebouwd tot schietsalon en was het domein van de mannen, terwijl de vrouwen en kinderen allerlei andere spellen speelden, in de winkel of soms ook in de woonkamer. Wij als kinderen beproefden ons geluk meestal in de grabbelton.
Zo'n 50 jaar geleden werd er aan de kersttijd lang niet zoveel aandacht besteed als tegenwoordig en dat komt vooral door de commercialisering.
Sommigen namen de gelegenheid om maar weer eens ter kerke te gaan en afgezien van wat extra visites bestonden de kerstdagen alleen maar uit een extra zondag.
Wat dat betreft werd er aan de jaarwisseling meer tijd besteed.
Naast het traditionele oudejaarschieten met een melkbus met carbid, wat ook nu nog zeker gebeurt, ging de jeugd op Oudejaarsavond groepsgewijs op pad om te gaan slepen. Het was een ongeschreven regel dat alles wat aard- en nagelvast zat, met rust gelaten werd. Met dit begrip werd wel eens wat vrijpostig omgesprongen en dan moest menig boer 's morgens constateren dat zijn landhekken waren verdwenen. Zij waren op een centraal punt verzameld en op Nieuwjaarsdag kon ieder zijn eigendommen weer ophalen. Het was ook een ongeschreven wet dat er niets vernield werd. Helaas is het later wel eens anders gegaan.
De eerste week van het nieuwe jaar gingen we als jeugd de hele buurt langs om iedereen een gelukkig Nieuwjaar toe te wensen. Het was een sport om als eerste te zeggen "Geluk Ni-jjoar"; vrijwel direct kwam de fles op tafel en werd er getrakteerd op oliebollen en nieuwjaarskoeken. Dat waren knijpertjes die direct na het bakken werden opgerold op een stokje zodat er na afkoeling een oublie ontstond. Zo'n nieuwjaarskoek stond symbool voor het nieuwe jaar, dat nog opgevouwen voor ons lag. We gingen natuurlijk niet in één dag de hele buurt door, dat zou te veel van het goede zijn geweest.
Zo was er voor de jeugd altijd wel wat te doen op het platteland. In februari begonnen we met het verzamelen van brandbaar materiaal voor de paasvuren in het voorjaar.
Dit zogenaamde paasvuurslepen deden we met een van een boer geleende wagen. Daarmee gingen we de hele buurt door om vooral dode takken en alles wat verder maar goed wilde branden, op te laden. Op een centrale plaats werd dan de paasbult opgebouwd. Op 1e of 2e Paasdag, afhankelijk van weer en windomstandigheden, werd het paasvuur onder grote publieke belangstelling aangestoken, door een volwassene.
Terwijl de paasbult brandde werden er meteen allerlei nieuwtjes uitgewisseld en vermaakte de jeugd zich uitstekend met het elkaar inwrijven met houtskool. Vooral de meisjes moesten het ontgelden.
Op deze momenten troffen de mensen elkaar en niet zelden waren verkering en huwelijk hiervan het gevolg.
De zondag vóór Pasen is natuurlijk Palmpasen en daar werd in deze omgeving zeker veel aandacht aan besteed. Alle kinderen kregen een "haantien op een stokkien" en diegene die de mooist versierde haan had, kreeg een prijs.
Gelukkig is deze traditie bewaard gebleven en in de Wijk gaan de kinderen met de haantjes in optocht door het dorp met Apollo voorop.
Wat je tegenwoordig niet meer ziet, zijn de gehaakte netjes met eieren erin. Zo'n netje deed je om je nek terwijl het gevuld was met zoveel mogelijk eieren, gekookte en beschilderde kippeneieren maar ook chocolade- en suikereieren. Het was de kunst om het netje zo vol mogelijk te krijgen en daartoe gingen we alle buren langs in de hoop om van iedereen een bijdrage in het net te krijgen. Onderweg snoepten we natuurlijk flink van al dat lekkers.
In de wintermaanden was het ook de tijd van de burenvisites. Iedereen kwam minimaal 1 x keer per winter bij ieder andere buur op visite. Voor ons als kinderen was het ook een leuke tijd want het was gebruikelijk dat elke visiteganger voor de kinderen een zakje snoep of iets dergelijks meenam.
De kachel in de voorkamer werd aangemaakt en de kamer zat 's avonds vol met rokende mannen en breiende vrouwen. Deze dagen waren vaak de enige keer dat de kachel in de grote voorkamer gestookt werd, want het was niet zo eenvoudig om deze grote ruimtes warm te krijgen.
Dat was ook de reden dat het dagelijkse leven zich hoofdzakelijk in de keuken afspeelde. Die was kleiner en daar brandde toch al de hele dag het fornuis.
In de zomer was zelfs deze keuken nog te royaal en verhuisde men met hutje en mutje naar het stookhok, het "naomthuus". Het meest nodige meubilair ging mee en als het hele gezin aan tafel zat, was het er mudvol, maar door deze knusheid ook erg gezellig.
De reden van deze verhuizing is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar het zal er wel mee te maken hebben dat de kleine ruimte makkelijk schoon te houden was. Doordat er meestal ook wel een klein fornuisje stond, was het in de kleine ruimte ook nog behaaglijk als het buiten slecht weer was. Naderhand kwam er op het platteland waterleiding, elektrische stroom en gas. De voorzieningen daarvoor stonden in de keuken en daardoor is het wonen in het stookhok snel verdwenen.
De oorspronkelijke functie van het stookhok was het koken van aardappelen voor de varkens. Dit gebeurde in een grote kookpot. Daarin werd ook het smerige wasgoed uitgekookt, om later gewassen te worden.
Deze kookpotten werden gestookt met hout en ook wel met turf, maar dan niet de gewone harde turf maar zachte veenturf uit het heideveld. Deze turf werd "zodden" genoemd.
Deze zodden gaven bij verbranding een enorme rookontwikkeling met daaraan gepaard een flinke stank. Op die momenten kon je maar beter niet in het stookhok verkeren.
Dat de stookhokken multifunctioneel waren, blijkt wel uit het feit dat ze ook erg in trek waren bij de opgroeiende jeugd. Als een meisje een jongen mee naar huis nam, was de eerste vrijage vaak in het stookhok; het was nooit op slot en niemand merkte er iets van. Een andere vorm van ontspanning voor de jeugd was in de zomer het zwemmen in de Reest. Na schooltijd of na het werk gingen we gezamenlijk naar de Reest om aldaar een verfrissende duik te nemen. Dat kon toen letterlijk, omdat in die tijd het water er veel hoger stond dan nu. In een eerder artikel heb ik al eens verteld hoe het is gekomen dat het riviertje nu niet meer geschikt is om er een duik in te nemen, het zou levensgevaarlijk zijn, maar de meeste van mijn leeftijdgenoten zijn op deze manier wel spelenderwijs de zwemkunst machtig geworden.
Ik merk dat hoe meer ik over deze dingen schrijf, hoe meer mij steeds te binnen schiet over de tijd van mijn jeugd en daarom zal ik een volgende keer nòg het een en ander vertellen over het leven in het Reestdal van plm. 50 jaar geleden.

*****