Statistieken 1864 in het Reestdal

Vervoer te water

Het vervoer te water in Drenthe is lange tijd gering geweest. Toch zijn boten voor de vervening onmisbaar voor zowel de ontginning van de woeste gronden, de uitbreiding van de landbouw,en handel en fabrieknijverheid. Het is aan te raden boven het vervoer ter land. De kosten zijn veel minder en zelfs spoorwegen komen in geen vergelijking met kanalen, wanneer geen grote spoed vereist is.

Hun onmisbaarheid als middel van ontginning met al haar gevolgen van welvaart, in streken als deze, algemeen wordt gedeeld, zouden uit de getuigenissen van meerdere bevoegde mannen kunnen blijken. Wij willen alleen aanhalen, wat Chaptel in zijn werk "l'industrie française" bijbrengt als antwoord op de te kennisgeving van verwondering over de menigte heide in zekere gemeente: "donnez-nous un canal pour transporter nos engrais et bientôt ce pays stérile sera rempli de récolte."
Ook in het rapport, in 1808 door den toenmalige landdrost aan koning Lodewijk uitgebracht, vindt men het volgend merkwaardig gezegde: "Votre majesté ,a-t-elle la bonté de nous en accorder (des canaux), bientôt alors nous verrons la population du département de Drenthe s'accroître d'une manière presqu' incroyable, comme le prouvent péremptoirement les colonies de Hoogeveen, de Smilde et autres; bientôt ce département maintenant couvert de bruyères deviendra Ie grenier des autres parties du royaume."

Hoewel de het graven van kanalen zonder groot bezwaar aan de krachten van bijzondere personen of verenigingen te kunnen worden overgelaten, zijn deze echter niet altijd en in alle opzichte voldoende. Er moet ook gezorgd worden, dat die werken ten volle beantwoorden aan het doel, waarvoor ze zijn aangelegd, en dat dit niet wordt tegengewerkt door bekrompen naijver of kleingeestig eigenbelang van daarin betrokkene gemeenten of naburige provincies. Belemmeringen, als hier bedoeld worden, vinden plaats met de dam bij Bareveld en Appelscha, en met de verhindering der doortrekking van de Veenhuizer vaart, welke laatste met zeer geringe kosten met de Hauler vaarwateren in Friesland en met de rivier de Kuinre zouden kunnen verbonden worden. Het is in deze en soortgelijke aangelegenheden, dat de tussenkomst van de Staat wenselijk en in haar eigen belang aangewezen moet worden geacht.

Rivieren

Ofschoon in Drenthe geen rivieren of stromende wateren gevonden worden, zijn er toch een menigte kleinere stromen, doorgaans bekend onder de naam van diepen, welke gedeeltelijk of tot geringe diepgang kunnen bevaren worden, en die meest allen, in het midden der provincie ontspringende, naar alle zijden afstromen en zich door de aangrenzende provinciën in zee uitstorten. Geen van deze loopt uit naar of in het koninkrijk Hannover.

De stromen, die de naam van rivieren zouden kunnen dragen, in het Reestdal zijn:

  1. De Ruinerwoldse Aa begint in de gemeente Ruinen en verenigt zich bij Meppel met de Havelter Aa, en storten gezamenlijk in het Meppeler diep.
  2. De Reest, die in Overijssel uit de venen ten oosten van Zuidwolde ontspringt, langs de gemeenten Zuidwolde, de Wijk en Meppel de zuidelijke grensscheiding van Drenthe uitmaakt, en zich bij laatstgenoemde plaats in het Meppeler diep ontlast.
  3. Het Meppelerdiep, voor zo ver het in Drenthe is gelegen. Het ontstaat uit de vereniging van de wateren van de Oude vaart of Havelter Aa, de Wold-Aa, de Echtinger stroom en de Reest. Het krijgt zijn naam ten zuiden van Meppel, en loopt met vele kronkelingen door Overijssel naar Zwartsluis, waar het door een belangrijke schutsluis in het Zwarte water valt.

Behalve de bovengenoemde wateren zijn er nog vele kleinere stroompjes of beken, die echter alleen tot waterlozing dienen.

Kanalen

Wanneer men het Meppeler diep uitzondert dat het de enige waterweg van Drenthe naar de Zuiderzee vormt (en hetwelk men eigenlijk zelfs onder de kanalen zou kunnen rekenen, omdat het door kanalisatie voor de scheepvaart geschikt is gemaakt), dan is geen van de voornoemde natuurlijke vaarwateren voor Drenthe zo belangrijk als de door kunst gegraven kanalen. De Hoogeveense vaart, met de verlenging en zijtakken in de Noord- en Zuid-Barger venen, ligt als enige in het Reestdal. Oorspronkelijk is deze vaart aangelegd in 1628 door de toenmalige heer van het riddermatige huis Echten, tot afvoer van turf uit de hoge venen van het Hoogeveen. Zij liep van Hoogeveen, ten zuiden van het huis Echten, naar Meppel, waar zij in het Meppeler diep valt.
Bij koninklijk besluit van 12 Maart 1852 werd aan enige Hollandse en Drentse heren vergunning verleend tot het oprichten van maatschappij ter overneming, verlenging en verbetering van de Hoogeveense vaart, tot in de Noord- en Zuidbarger venen (gemeente Emmen), met een zijtak tot in de gracht te Coevorden, en een waterleiding van uit het eerstgenoemde kanaal boven Drijber, tot in de Beiler vaart.
Nadat de provincie en de belanghebbende gemeenten aandelen in de maatschappij hadden genomen, en daarenboven nog een provinciale subsidie was toegezegd, namen de werkzaamheden nog in hetzelfde jaar een aanvang. In 1856 werd de commissie in zoverre gewijzigd, dat de maatschappij ontheven werd van het graven van een kanaal naar Coevorden, en van de eventuele verandering van de waterleiding naar Beilen in een scheepvaartkanaal. Toen in 1858 het kanaal de venen van Noord- en Zuidbarge tot op 2800 ellen was genaderd, verbond zich de maatschappij, om binnen 8 jaren, nadat het kanaal de venen zou hebben bereikt, het in oostelijke richting 6400 ellen te verlengen, en uit die verlenging een zijtak te graven naar het Amsterdamsche veld, met voornemen het kanaal door te graven tot de Hannoverse grenzen. In 1860 zijn die overgebleven 2800 ellen afgewerkt, en is het kanaal nog 400 ellen in de venen verlengd. Het eerste met turf beladen vaartuig voer op de 5de December van dat jaar uit de Bargermarke het kanaal af met een diepgang van 1,305 el. In 1861 waren al de werken tot verlenging in de venen van Noord- en Zuidbarge, en evenzo de zijtak naar het Amsterdamsche veld voltooid, terwijl het kanaal in 1863 nog 1950 el verlengd is.
De gewone gevolgen van het graven van kanalen in woeste gronden blijven ook hier niet achter. De streek, door welke zich de verlengde Hoogeveense vaart uitstrekt, ontwikkelt zich hoe langer hoe meer, en de bevolking neemt van dag tot dag toe. Tot bewijzen daarvan kunnen wij de volgende veenkoloniën noemen: de Bumavenen, het Hollandsche veld, de verlengde Hoogeveense vaart.
Met deze Hoogeveense vaart staan, vooral te Hoogeveen, talloze wijken in verbinding.

Vervoer te land

Bij vergelijking van het hierboven opgegeven met de statistiek van de provincie Drenthe van mr. P. W. Alstorphius Grevelink zal men met een oogopslag zien, hoezeer sinds 1840 de middelen van gemeenschap te water zijn toegenomen en verbeterd. Niet minder is dit het geval met de middelen van gemeenschap te land.

Spoorwegen

Hoewel Drenthe nu, in 1864, nog altijd spoorwegen mist, bestaat echter de zekerheid dat het niet lang meer van dit krachtig vervoermiddel zal verstoken blijven.
In 1844 werden door niet minder dan vijf verschillende personen of associaties daartoe voorstellen aan de regering gedaan. In het volgende jaar verkreeg J.H. Balkema c.s. concessie tot de aanleg van een spoorweg van Zwolle over Hasselt, Zwartsluis, Meppel, Assen en Groningen naar Delfzijl, met een zijtak naar Winschoten, in verband met de verplichting tot het uitvoeren van de kanalisatie in Drenthe.
In 1855 werd aan de heren C.S. Sixma baron van Heemstra c.s. voorlopige concessie gegeven voor een spoorweg van de haven van Harlingen, over of langs Franeker, Leeuwarden, Meppel, Zwolle en Almelo, tot de Hannoverse grenzen, in de richting van Rheine, met een lijn van Leeuwarden naar Groningen.
Evenzo kreeg in 1856 de heer Dull, te Almelo, een voorlopige concessie voor de aanleg van spoorwegen in de noordelijke provinciën, en zijn in 1857 wetsontwerpen aan de vertegenwoordiging ingediend voor o.a. een lijn van Zwolle over Meppel en Assen naar Groningen.
In 1858 volgde alweer een concessie aan de heren Sloet en Reuchlin tot aanleg van een spoorweg, voor zoveel Drenthe aangaat, lopende als de laatstgenoemde.
Om verschillende oorzaken is aan geen van alle de genoemde plannen en ontwerpen gevolg kunnen gegeven worden.
In 1860 werd een nieuw wetsontwerp tot aanleg van staatsspoorwegen ingediend, waarbij Drenthe bijna geheel was buitengesloten. Van alle lijnen in dat ontwerp was toch die van Zwolle over Meppel naar Leeuwarden de enige, welke, hoewel slechts voor een zeer klein gedeelte, over Drents grondgebied liep. Onderscheidene adressen zo van provinciale staten als van gemeentebesturen en verenigingen, van ingezetenen aan Z. M. de Koning en aan de 226 kamer der Staten-Generaal hebben echter uitgewerkt, dat door de regering de lijn van Meppel over Assen naar Groningen in het wetsontwerp is opgenomen, en dat met die lijn zou worden aangevangen, nadat de weg van Harlingen naar de Hannoverse grenzen zouden zijn voltooid.
Die wet is in Augustus 1860 aangenomen; het bericht van die voor de toekomst van Drente zo belangrijke gebeurtenis werd in die provincie met levendige blijdschap vernomen, en op vele plaatsen gaven de ingezetenen openbare blijken van hun vreugde daarover.

Kunst- en zandwegen

De enige kunstweg, dien Drente bezat, was de grote rijksweg van Zwolle over Meppel naar Groningen met de zijtak naar Leeuwarden. In 1839 voltooid, komt die weg bij de brug over de Reest bij Meppel op Drents grondgebied en doorsnijdt die stad. Even buiten Meppel splitst hij zich; een zijtak loopt over het grondgebied der gemeente Havelte naar Steenwijk, en verder door Overijssel en Friesland naar Leeuwarden; de andere zijtak loopt langs de Smildervaart, waarvan hij zich slechts even bij Dieverbrug verwijdert, naar Assen en van daar over Vries naar de Punterbrug, waar hij de provincie Groningen binnentreedt en verder naar de stad Groningen doorgaat. Deze weg is een klinkerstraatweg, uitgezonderd tussen Havelte en Hoger-Smilde, waar hij gemacadamiseerd is.
Sinds 1840 zijn de volgende kunstwegen hierbij gekomen, die 't zij op kosten der provincie, 't zij door gemeenten en bijzondere ondernemingen, met behulp van subsidies zijn aangelegd, en welke naar tijdsorde hunner voltooiing hieronder staan opgetekend. Deze zijn voor het Reestdal:

  1. Een klinkerstraatweg van Ruinerwold naar Meppel, voltooid in 1855.
  2. Een klinkerstraatweg van Meppel over de Wijk en Zuidwolde naar Hoogeveen, voltooid in 1859.
  3. Een klinkerstraatweg van Beilen naar Spier, Pesse en Ruinen tot Ruinerwold, met een zijtak van Pesse naar Hoogeveen. Deze is in de loop van 1864 voltooid.

Behalve de opgenoemde kunstwegen wordt het Reestdal nog doorsneden door zandwegen en voetpaden, welke allen te vermelden ons bestek niet toelaat.

Telegraaf

De rijkstelegraaf langs de grote rijksweg in Drenthe is in 1854 voltooid, en in de maand Oktober van dat jaar in werking gebracht. In 1857 is een tweede draad aangebracht tussen Zutphen en Groningen door Drenthe lopend, welke draad in 1859, ter spoedige opsporing van gebreken bij stoornis, ook in de kantoren Meppel en Assen met een toestel in verbinding is gebracht.
In 1861 werd een nieuwe telegraaflijn aangelegd van Zwolle, over Meppel en Heerenveen, naar Leeuwarden.

Posterijen

Op 31 Dec. 1863 waren in de provincie aanwezig:

  1. Drie postkantoren, namelijk: te Assen, Goevorden en Meppel;
  2. Twee en twintig hulpkantoren te: Beilen, Borger, Dalen, Dieverbrug, Eelde, Eext, Emmen, Frederiksoord, Gasselte, Gasselternijeveen, Gieten, Havelte, Hoogeveen, Norg, Oosterhesselen, Peize, Roden, Rolde, Smilde, Vries, Westerbork en Zuidlaren;
  3. Achttien bestelhuizen te: Annerveense kanaal, Bonnerveen, Exlo, Exloermond, Koekange, Nieuw Dordrecht, Odoorn, Pesse, Roswinkel, Sleen, Uffelte, Vledder, Wapserveen. Willemsoord, de Wijk, Zandberg, Zuidwolde en Zweelo.

Het is bevreemdend, dat terwijl het kleine Coevorden, dat onder de gemeenten van Drenthe in talrijkheid van bevolking slechts de dertiende plaats inneemt, een postkantoor bezit, het welvarende Hoogeveen, de volkrijkste gemeente van de gehele provincie, zich met een hulpkantoor moet tevreden stellen.

In de laatste jaren is het volgend getal brieven in Drenthe ontvangen en verzonden:

Jaren Ontvangen ongefrankeerde Verzonden gefrankeerde
1860
1861
1862
1863
261002
264633
274066
279627
41380
44937
46107
51364