't Olde Karspel - periodiek van de Historische Vereniging De Wijk - Koekange

Oude gebruiksvoorwerpen…
De zaaihoorn

door Hans Woltinge

Wie kent niet het verhaal van de Zaaier, dikwijls uitgebeeld op linnen door beroemde schilders, al voor de middeleeuwen. Het klassieke gebaar met de ene hand, die het zaaizaad uitstrooit vanuit een soort schoudertas, het zaaivat. Breedwerpig is de juiste benaming voor de zojuist beschreven handeling. Het verhaal vertelt hoe een deel van dat uitgestrooide zaad op de rotsen valt en geen wortel kan zetten. Een ander deel valt op rotsachtige bodem, het ontkiemt wel maar de wortel krijgt geen diepgang. Bij een week felle zon verdort de ontkiemende zaadkorrel en mist aldus de oorspronkelijke bedoeling. Een derde deel valt op de weg naast de akker. Vogels doen zich er te goed aan en de rest wordt vertrapt door mens of dier. Het vierde deel van het uitgestrooide zaad komt op de akker terecht en kan tot volle wasdom komen, mits het de juiste hoeveelheid water krijgt, goed bemest wordt, genoeg uren zon krijgt en goed bewerkt wordt. Voor dat laatste vraag ik even wat meer aandacht. Het was en is bekend dat soms naast het zaaizaad ook niet bedoelde gewassen uit de aardbodem schieten, het onkruid. (rond het begin van onze jaartelling werd dit "kruid" ook al zo genoemd.) Het was een probleem dat niet uit te roeien was. De Drentse en Groningse akkers stonden erom bekend en dit lag beslist niet aan de boeren. Bij de breedwerpige methode werd de grond optimaal benut wat oppervlakte betreft maar onkruidbestrijding kon zo goed als niet plaatsvinden tijdens de groeiperiode, omdat het onkruid bij deze zaaimethode zich nu eenmaal mengt tussen het opschietende gewas.
Het was omstreeks halverwege de 18e eeuw dat daar verandering in kwam. Emigranten uit de Pfalz (doopsgezinden) hadden in hun vaderland een zaaimethode in gebruik die effectiever was dan de hier vanouds bekende. Ze hadden de rijenmethode ontdekt. De vroegste vorm van deze methode werd uitgevoerd met een koehoorn (waar de punt vanaf was gezaagd) aan een stokje. Aan deze koehoorn dankt dit nostalgische gerei zijn naam, de zaaihoorn.
Daar de hoeveelheid zaad die in de hoorn ging, gering was, werden er nadien door liefhebbers van de landbouw* en boeren grotere exemplaren ontwikkeld, zowel houten als blikken. Wel bleven ze de oorspronkelijke naam "zaaihoorn" gebruiken, ook al hadden ze qua vorm geen gelijkenis meer met de hoorn. Het werk werd meestal door vrouwen en kinderen gedaan, omdat het voor de begrippen van toen (rond 1750) onder lichte arbeid viel.

Al met al is het aan de toepassing van de zaaihoorn te danken dat een goede onkruidbestrijding mogelijk werd.
De zaaihoorn waarover de Historische Vereniging beschikt, is 350 jaar oud en verkeert nog in perfecte staat.

* liefhebbers van de landbouw waren meestal de dorpsnotabelen zoals de notaris, de dominee, de hoofdmeester.

*****